
De Elias-saga
Na de Eerste Wereldoorlog zag het genealogische landschap van Nederland er overzichtelijk uit. De enige vereniging die ertoe deed, was het genootschap ‘De Nederlandsche Leeuw’. Onder straffe leiding van hoofdredacteur Theo Valck Lucassen zou het maandblad van het Genootschap in de jaren twintig en dertig steeds academischer gaan ogen. Dat het blad desondanks zijn levendigheid behield, was vooral te danken aan de felle debatten over adellijke afstammingen die geregeld de kolommen wisten te halen. Valck Lucassen had hier zelf mede de hand in, doordat hij er in affaires niet voor terugschrok duidelijk partij te kiezen en daarbij niet altijd de zelfbeheersing wist te bewaren.
In de schaduw van het Genootschap bewogen zich enkele beroepsgenealogen, van wie de bekendste D.G. van Epen was. Deze had duidelijk zijn beste jaren achter zich en in 1920 moest hij de uitgave van zijn tijdschrift de Wapenheraut staken. Daarnaast kwam in de jaren dertig vanuit de heemkunde-beweging voorzichtig een ‘volkse genealogie’ op die zich op ‘gewone mensen’ richtte. Ten slotte was er nog een eenling: Johan Engelbert Elias, telg van een bekende Amsterdamse regen-tenfamilie die sinds 1922 in Zeist woonde – aanvankelijk nog samen met de Zwitserse mademoiselle die hem als kind al had verzorgd, later helemaal alleen.
Kort na de eeuwwisseling had Johan Elias als jonge man met De vroedschap van Amsterdam een genealogisch meesterwerk in twee delen geschreven. Hierna zou hij zich ontwikkelen tot auteur van enkele baanbrekende boeken over de zeegeschiedenis van de Republiek. Jarenlang schoof hij alles wat met genealogie te maken had aan de kant.
Een zwakke gezondheid, toenemende doofheid en later de dood van zijn huisgenote maakten dat de dagen van Johan Elias steeds stiller werden en zich voornamelijk vulden met lezen, mijmeren, studeren en wandelen. ‘Ik ben, zoals alle kluizenaars, een zeer zwijgzaam mensch en in het geheel geen spreker’, antwoordde hij eens op een verzoek een lezing te houden. Achter zijn eenzelvigheid ging echter een romantische, zachtmoedige geest schuil, met een ongekende verbeeldingskracht en levensmoed.
Aan het begin van de jaren dertig keerde Johan Elias weer terug naar de genealogie. In 1933 schreef hij zijn vriend Jan Belonje dat hij zijn ‘aftandsche jaren’ helemaal wilde wijden aan zijn eerste liefde: de geschiedenis van zijn eigen familie. Die hartstocht was altijd bij hem gebleven, maar had hij jarenlang hardhandig weggeduwd. Het schrijven van een ‘doode genealogie’ met alleen feiten achtte hij echter ondenkbaar. Wat hij nastreefde, was een ‘roman d’une famille’. Tijdens eenzame wandelingen gaf hij vervolgens in zijn hoofd vorm aan wat hij zelf graag de ‘Elias-sage’ noemde. Het schrijven zelf ging vervolgens snel. In 1937 verscheen Het geslacht Elias. Geschiedenis van een Amsterdamse regentenfamilie.
Het werk kreeg lovende kritieken, óók in de Leeuw. Valck Lucassen meende dat het boek een richting aangaf waarin de ‘geslachtkunde’ zich in de toekomst zou kunnen ontwikkelen. Toch was de afstand tussen Elias’ ‘bezielde familiegeschiedenis’ en de ‘zuivere genealogie’ zoals die binnen het Genootschap domineerde, vrijwel onoverbrugbaar. Wat de kluizenaar uit Zeist miste in het maandblad was verbeelding. ‘Het zijn alles genealogieën en nòg eens genealogieën’, schreef hij in 1941 aan Belonje, die weliswaar ‘wetenschappelijk’ waren uitgewerkt maar voor hem als lezer niet te genieten waren.
Het talent voor verbeelding droeg Johan Elias al sinds zijn jeugd hij zich. Zelfs in zijn ‘aftandsche jaren’ zou deze gave hem nooit in de steek laten. Steeds helderder werden ook de beelden uit zijn kindertijd zelf: de herinneringen bijvoorbeeld aan zwierende schaatsers, koekenzopieverkopers en lanterfanterende ijsvegers voor zijn ouderlijke huis op de bevroren Keizersgracht. Als kind was hij ingeslapen met het geluid van krassende schaatsen in de oren en het schijnsel van lampions door de kieren van de gordijnen. Tientallen jaren later gaf dat warme beeld hem de kracht om de striemende noordenwind te doorstaan die door de hoge ramen zijn eenzame, koude huis in Zeist binnenstormde.
Johan Elias overleed in 1959 in zijn woonplaats. Hij stierf in het vertrouwen dat zijn leven geslaagd was geweest. Dat vertrouwen was terecht. In het verhaal van zijn stille bestaan schuilt een pleidooi voor de verbeelding in de genealogie, en in het leven.
Reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste.
Inloggen om te reageren
Heeft u nog geen account?
Reacties worden beoordeeld voordat ze worden gepubliceerd.