
Vader en zoon
Vader en zoon waren ze, Arien en Gijsbert van Rijckhuijsen. De vader leefde van 1671 tot 1750 en was een boer in het Betuwse dorp Herwijnen. De zoon werd geboren in 1707 en vertrok als jongeman naar Leiden, waar hij eerst zijn geld probeerde te verdienen als lijfknecht en later als stadsbode. Beiden hielden ze van genealogie en ze schreven elkaar geregeld, niet alleen over stambomen en familiewapens maar ook over het leven zelf. Gijsbert maakte afschriften van die brieven en bundelde ze, samen met kopieën van andere brieven, in zeven dikke folianten. Al jaren voor zijn dood in 1772 besloot hij die folianten en een reeks geslachtsregisters aan de Leidse universiteit na te laten.
Voor Enny de Bruijn vormden de brieven die Arien en Gijsbert van Rijckhuijsen uitwisselden het beginpunt van haar net verschenen boek De hoeve en het hart, een mooie en belangrijke studie over het leven van gereformeerde boeren op het Gelderse platteland in de Gouden Eeuw. Arien is duidelijk de held van haar verhaal. Dat is hem ook wel gegund, want als de geschiedschrijving in het verleden al aandacht had voor de Van Rijckhuijsens, dan betrof die steevast Gijsbert en zijn schriftelijke nalatenschap. Maar Enny de Bruijn gaat het duidelijk om de achterblijvers in Herwijnen en om de herinneringen en ervaringen die Arien in zijn brieven weet over te brengen. Gijsbert staat in zekere zin buiten het boek. Hij is de zoon die vooruit wil komen in het leven, het platteland verlaat en naar de stad vertrekt om de wereld te ontdekken.
Toch is ook de zoon een fascinerende figuur, die misschien wel makkelijker dan zijn vader een heel boek zou kunnen dragen. Dat boek zou dan niet over het zeventiende-eeuwse Gelderse platteland moeten gaan, maar over achttiende-eeuwse genealogennetwerken of over de stedelijke wereld van kleine ambtenaren. Gijsbert van Rijckhuijsen is al eerder, en terecht, gekarakteriseerd als een man die zichzelf vooral als dienaar zag, iemand die door heren boven hem niet als gelijke aangesproken
wilde worden. Voor alles was hij een genealogische drammer die neven en nichten net zo lang aanschreef tot ze hem antwoordden. Graag haalde hij een waarschijnlijk verzonnen anekdote aan over een boer die weigerde de namen van zijn ouders op te geven en ook al niet wilde meedelen wanneer hij zelf in het huwelijk was getreden. Was hij dan in een onderaardse spelonk getrouwd, zou Gijsbert de koppige boer dreigend hebben geschreven. En wat betreft de namen van zijn ouders: hij was toch geen hoerenkind? Binnen twee weken kwam het antwoord.
Gijsbert van Rijckhuijsen benaderde niet alleen familieleden. Hij was goed bekend in het kleine circuit van Hollandse genealogen en verzamelaars van oudheden en schroomde ook niet om Brusselse wapenkoningen aan te schrijven als dat
nodig was. Hij hield van snel, kordaat optreden. Toen hij tijdens een toevallig gesprek met een knecht in het stadsjacht van Leiden een almanak te zien kreeg met een beschrijving van de oudheden in de Marekerk en hij daarin las dat de wapens van
de burgemeesters in een torenklok waren gegoten, spoedde hij zich bij thuiskomst direct naar de kerk om samen met de klokkenluider de kerktoren te beklimmen. Eenmaal bovengekomen waaide het zo hard dat hij niet dicht bij de klok durfde te komen. Hij vertrok echter niet zonder een ‘kaart-blad’ achter te laten waarop de klokkenluider naderhand de wapens moest aftekenen.
Een mens moet kennelijk iets hebben om zijn vrije tijd prettig door te brengen, zo probeerde hij zijn liefhebberij te rechtvaardigen tegenover familieleden die hier religieuze bedenkingen tegen koesterden. De een houdt van jagen, vissen, of vinken, de ander van paardrijden of dobbelen, schreef hij in 1741, en hij hield nu eenmaal van genealogie en heraldiek. Maar bij al deze ‘wereltze tijdverlustingen’ hoorde men, aldus Gijsbert, de spreuk in gedachten te houden die de Oude Grieken boven de deur van de tempel in Delphi hadden aangebracht: ‘Ken u zelve’.
Echte zelfkennis hoorde volgens gereformeerden beslist buiten de genealogie te worden gezocht. Maar of Gijsbert daar ook echt zo over dacht? Misschien waren zijn geslachtsregisters voor hem niet alleen maar een liefhebberij, maar stiekem wel degelijk een instrument om zichzelf en zijn plek in het leven te leren kennen.
Reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste.
Inloggen om te reageren
Heeft u nog geen account?
Reacties worden beoordeeld voordat ze worden gepubliceerd.