
Vitale beroepen
Twee jaar geleden verscheen het spraakmakende boek Bullshitjobs: a theory van de Amerikaanse antropoloog en activist David Graeber. Uitgangspunt van Graebers boek is John Maynard Keynes’ voorspelling uit 1930 dat de ontwikkeling van de techniek voor het einde van de eeuw een vijftienurige werkweek mogelijk zou maken. Dat die voorspelling niet uitkwam, is volgens Graeber te wijten aan het op ongekende schaal scheppen van banen die in feite zinloos zijn – de zogeheten ‘bullshitbanen’. Inmiddels is een hele klasse van hoogopgeleiden ontstaan die zichzelf afvragen of hun baan wel iets toevoegt aan de maatschappij, maar die desondanks aanzienlijk hoger worden beloond dan verplegers, monteurs en vuilnisophalers en andere werknemers in wat we sinds de coronacrisis de ‘vitale beroepen’ noemen.
Wanneer je de états présents van genealogieën uit de oude en nieuwe deeltjes van Nederland’s Adelsboek naast elkaar zet, zie je iets van deze verschuivingen terug. De eerste jaargangen vermelden vooral beroepen die je bij de adel verwacht: burgemeesters, hoge ambtenaren, diplomaten, legerofficieren, rechters, advocaten, officieren, ga zo maar door. Adellijke vrouwen werkten niet, afgezien dan van enkele freules die waren verbonden aan het hof of aan verpleeginrichtingen. Na de Tweede Wereldoorlog daalt het aantal ambtenaren en verschijnt de moderne mens: de publiciteitschef, reclameadviseur en managementconsultant.
Vooral vóór 1940 zorgde de vermelding van werkkringen in het ‘rode boekje’ regelmatig voor gedoe, zo blijkt uit het redactiearchief. In de eerste deeltjes figureerde weliswaar af en toe een arbeider of metaalslijper, veel vaker gebeurde het dat ‘eenvoudige
beroepen’ onvermeld bleven. Dit lag niet zozeer aan de redactie als wel aan adellijke familiehoofden die meestal bewust nalieten loopbanen van minder geslaagde verwanten op te geven. Vooral edellieden uit de eerste coterie ervoeren het als pijnlijk in één adem
te worden genoemd met een broer of neef die een in hun ogen nederige baan hadden en die zij om die reden als mislukkeling zagen.
Het beleid van de redactie om ook in stamreeksen beroepsaanduidingen op te nemen, zorgde voor nog aanzienlijk meer ophef. Voor in de negentiende eeuw geadelde families beteken de dit dat voorouders die hun geld als schoenmaker of winkelier hadden verdiend, ook als zodanig in het adelsboek werden aangeduid. Dit strookte absoluut niet met het hoge zelfbeeld van hun standsbewuste nazaten. Dat bij de achttiende-eeuwse Brabantse voorvaderen van de graven Dumonceau (in 1820 in de Nederlandse adelstand verheven) als beroep werd vermeld ‘koster van de kerk van Ukkel’, vonden velen schandelijk en was voor de familie zelf, inmiddels opgeklommen tot hoge hoffuncties, uiterst pijnlijk.
De opname van ‘onedele’ beroepen in een reeks die toch allereerst deftigheid wilde boekstaven, bleef ook in de buitenwereld niet onopgemerkt. Al in 1905 maakte een recensent van het linksliberale weekblad De Amsterdammer zich vrolijk over al die bikkers, bakkers en huidenkopers in het voorgeslacht van de Nederlandse adel en probeerde hij zich voor te stellen hoe de ambitie van winkeljongens zou worden geprikkeld wanneer ze wisten dat de stamvader van graaf X ooit óók met een strooppot of suikerbrood in de hand achter een toonbank had gestaan. Ook in de NRC, die jaarlijks een artikel wijdde aan het nieuwste deel van het adelsboek, werd telkens weer enthousiast melding gemaakt van pas ontdekte ambachtslieden in stamreeksen. Th.R. Valck Lucassen keerde zich hier in de Nederlandsche Leeuw fel tegen, omdat een en ander volgens hem afbreuk deed aan de grootheid van regentenfamilies. Het was dan ook beter dit soort mededelingen aan het algemene publiek te onthouden. Valck Lucassen kreeg weinig bijval. De bikkers, bakkers en huidenkopers lieten zich niet meer wegduwen. Toch zouden de vermeldingen van nederige beroepen voor gegniffel blijven zorgen. De Dumonceaus hadden geen enkele reden om zich erover te beklagen dat hun voorouders als koster in een Brabants keuterdorp in het adelsboek voorkwamen, stelde Jan Bijleveld, oud-redacteur van de reeks, in 1946 malicieus. Ze mochten blij zijn dat de bijverdiensten van diezelfde voorouders in de uienteelt ongenoemd waren gebleven.
Ze hadden dan wel eenvoudige beroepen uitgeoefend, de achttiende-eeuwse Dumonceaus, maar bullshitbanen waren het zeker niet. Momenteel zullen sommigen de uientelers zelfs onder de vitale beroepen durven te scharen. Maar dat zijn overwegingen die oneindig ver afstaan van de manier waarop een oude genealoog vlak na de oorlog naar de wereld en het leven keek.
Reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste.
Inloggen om te reageren
Heeft u nog geen account?
Reacties worden beoordeeld voordat ze worden gepubliceerd.